Grensverleggende geneeskunde voor topreferente patiënten


Academische functies Klinische genetica

Klinische genetica is het vakgebied dat zich bezig houdt met het opsporen van erfelijke afwijkingen die de (mede)oorzaak zijn van bepaalde lichamelijke aandoeningen. Bij patiënten die de klachten vertonen die behoren bij de aandoening, kan vervolgens worden nagegaan of zij drager zij van de betreffende erfelijke afwijking. Familieleden van de patiënt kunnen vervolgens laten nagaan of ook zij drager zijn van de erfelijke afwijken en dus ook een verhoogd risico lopen op de betreffende aandoening.

Erfelijke hartziekten
De afgelopen tien jaar zijn er tal van genen gevonden die - indien aanwezig in een afwijkende vorm - betrokken zijn bij het ontstaan van diverse hartaandoeningen. Hierbij kunnen twee groepen van erfelijke hartziekten worden onderscheiden. Ten eerste de groep van de zogenoemde elektrische hartziekten. Hierbij is er sprake van een verstoring in de geleiding van de elektrische prikkels die de hartspier gecoördineerd en in het juiste tempo laten samentrekken. De tweede groep bestaat uit de zogenoemde structurele hartziekten, aandoeningen waarbij de bouw en de vorm van het hart afwijkt.  Een voorbeeld daarvan is de hypertrofische cardiomyopathie (HCM of verdikte hartspier). Deze afwijkingen kunnen leiden dat de hartspiercellen niet meer goed kunnen samenwerken om bloed uit het hart te pompen. Beide groepen van erfelijke hartziekten kunnen dramatische gevolgen hebben. De meest ernstige is plotse hartdood. Plotse hartdood op jonge leeftijd en/of bij meerdere mensen uit een familie is vaak het gevolg van een erfelijke hartziekte.

Treedt plotse hartdood op op jonge leeftijd dan vindt sectie op het lichaam plaats. Daarnaast vindt cardiologisch onderzoek plaats bij de directe familieleden van het slachtoffer. Bestaat het vermoeden dat de hartdood berust op een bepaalde erfelijke afwijking dan kan DNA-diagnostiek worden ingezet. Het hartfilmpje of de echo van het hart bij de familieleden levert vaak al een vermoeden op om welk gen het gaat, Dan kan aan de hand van genetisch onderzoek gericht gezocht worden naar afwijkingen (mutaties) in dat gen. Dit is een arbeidsintensief en langdurig onderzoek.

Wordt er inderdaad een mutatie gevonden, dan worden familieleden hierover geïnformeerd. Zij worden uitgenodigd voor een gesprek waarbij hen de mogelijkheid wordt aangeboden zich te laten onderzoeken op dragerschap van de bewuste genafwijking. Dit onderzoek naar de inmiddels bekende mutatie, kan relatief snel worden afgerond. Blijkt uit het onderzoek dat het familielid geen drager is van de mutatie, dan kan hij/zij de erfelijke hartziekte niet krijgen evenals zijn/haar kinderen. Blijkt het familielid wel drager van de mutatie, dan wordt besproken welke opties in aanmerking komen. Dit varieert van medicamenteuze behandeling tot het implanteren van een apparaatje (defibrillator) dat bij een mogelijk fatale hartritmestoornis via een stroomstoot het hartritme weer herstelt.

Op het gebied van de erfelijke hartziekten werken de cardioloog en de klinisch geneticus intensief samen. De cardioloog draagt daarbij de zorg voor het cardiologische onderzoek en de eventuele behandeling. De klinisch geneticus informeert de familieleden over de erfelijke hartziekte, interpreteert de uitslagen van de DNA-diagnostiek en draagt zorg voor de contacten met de familieleden op basis van de stamboomgegevens.

Syndroomdiagnostiek
Als meerdere medische kenmerken samenkomen, spreekt men van een syndroom. Bijzondere uiterlijke kenmerken (dysmorfie) zijn vaak bepalend voor de herkenbaarheid van een bepaald syndroom. De syndroomdiagnostiek is van oudsher een zwaartepunt van de klinische genetica.

Aangeboren afwijkingen en/of erfelijke aandoeningen zijn elk apart vaak zeldzaam. Als groep betreft het echter een groot aantal kinderen en volwassenen, met een grote behoefte aan een correcte diagnose, gecoördineerde zorg en follow up. De vraag naar erfelijkheid en handelingsopties in geval van een verhoogd risico bij het krijgen van een (volgend) kind is hiervan een afgeleide.

Een diagnose is belangrijk voor een optimale behandeling en begeleiding. Als een kind een of meer aangeboren afwijkingen heeft, kan de ontwikkeling vertraagd zijn. De diagnostiek kan al tijdens de zwangerschap beginnen bijvoorbeeld nadat afwijkingen zijn gevonden bij een routine echo onderzoek. De diagnostiek start echter vaak pas na de geboorte en kan in alle levensfases worden vervolgd. Ook op volwassen leeftijd kan de vraag naar de oorzaak van een verstandelijke handicap aan de orde komen.

In de diagnostiek wordt in de universitaire medische centra multidisciplinair gewerkt. Kinderartsen en kinderneurologen zijn direct betrokken klinische specialisten. Zij verwijzen vaak door naar de klinisch geneticus en omgekeerd. De afdelingen klinische genetica hebben niet alleen een polikliniek maar ook laboratoria voor genoomanalyse (chromosomen onderzoek en DNA onderzoek). Ook zijn er laboratoria voor Erfelijke en Metabole Ziekten (EMZ) in elk UMC.

Veel academisch werkzame klinisch genetici hebben ook spreekuren in de regionale ziekenhuizen, samen met de kinderarts/kinderneuroloog ter plaatste. Ook bestaat er samenwerking met de intramurale instellingen in de regio en met de daaraan verbonden artsen voor verstandelijk gehandicapten (AVG).

Kinderen met een bekende maar ook met een onbekende oorzaak van de medische kenmerken worden op indicatie, en in principe multidisciplinair, in follow up gehouden. Zo wordt verdere expertise opgebouwd in het natuurlijk beloop van zeldzame aandoeningen en is het mogelijk om door research meer kennis te genereren. 

Meer informatie:           
http://www.erfelijkheid.nl ;
http://www.vsop.nl ;
http://www.orphanet.nl

Erfelijke neurologische ziekten
Neurologische ziekten zijn ziekten van de hersenen, ruggenmerg, zenuwen en spieren. Aandoeningen hieraan kunnen een grote variatie aan verschijnselen veroorzaken. Bijvoorbeeld dementie, bewegingsstoornissen, loopstoornissen, spraakstoornissen of slikproblemen. De veelheid aan neurologische aandoeningen en de grote verscheidenheid aan ziekteverschijnselen daarbij maken het soms moeilijk om de juiste diagnose te stellen.

De neuroloog gebruikt klinisch onderzoek, neurofysiologisch onderzoek, beeldvormend onderzoek, zoals CT scan en MRI en laboratoriumonderzoek om tot een diagnose te komen. De klinisch geneticus is betrokken bij het zoeken naar veranderingen in DNA (mutaties) die karakteristiek zijn voor bepaalde erfelijke neurologische ziekten. Naast het ondersteunen bij het stellen van de diagnose, is de klinisch geneticus de arts die patiënt en familie voorlichting geeft over de erfelijkheidsaspecten van de aandoening.

Erfelijke neurologische ziekten kunnen op verschillende manieren overerven binnen  families. Als de mutatie die de ziekte veroorzaakt is vastgesteld bij een aangedaan familielid, bestaat de mogelijkheid om vast te stellen wie in een familie wel en wie niet de aanleg voor de ziekte heeft geërfd, nog voordat zich enig symptoom voordoet. Dit gebeurt met een DNA-test aan de hand van wat bloed. Desgewenst kan ook vóór de zwangerschap (pre-implantatie genetische diagnostiek) of vroeg tijdens de zwangerschap (prenatale diagnostiek) worden onderzocht of bij het ongeboren kind sprake is van aanleg voor een bepaalde - in de familie voorkomende - ziekte.

Uiteraard wordt dit soort onderzoek niet lichtvaardig toegepast. Voordat iemand besluit een voorspellende DNA test te willen ondergaan of tijdens een zwangerschap onderzoek te willen laten verrichten, komen eerst de voor- en nadelen van de test uitgebreid ter sprake in multidisciplinaire bespreking met de klinisch geneticus, psycholoog en neuroloog. Bij prenatale diagnostiek is uiteraard ook de gynaecoloog/obstetricus nauw betrokken. De taak van de klinisch geneticus is daarbij de adviesvragers zo te informeren, dat zij zelfstandig die beslissing kunnen nemen die het best bij hen past. Ook het niet laten testen is een keuze die gerespecteerd wordt.

Hierbij worden naast de gesprekken met de klinisch geneticus ook gesprekken gevoerd met een psycholoog die veel ervaring heeft met het begeleiden van mensen die voor moeilijke keuzes staan op het gebied van erfelijkheidsonderzoek.

Complexe erfelijke ziekten
Ziekten worden in de genetica complex genoemd als er sprake is van betrokkenheid van mee dan één genetische factoren en van een interactie met levensstijl en omgeving. Hierin onderscheiden deze complexe ziekten (zoals diabetes, hart- en vaatziekten, psychiatrische aandoeningen, epilepsie, kanker) zich van monogenetische, mendeliaanse ziekten, ziekten waarbij één genetische variatie de oorzaak van de aandoening is en omgevingsfactoren niet of nauwelijks van invloed zijn.

De verschillende genen die betrokken zijn bij complexe ziekten hebben ieder in meer of mindere mate een eigen bijdrage aan de gevoeligheid voor de ziekte en de erfelijkheid. De bijdragen van elk van de betreffende genen afzonderlijk is veel minder duidelijk.

In tegenstelling tot de veelal zeldzame mendeliaanse ziekten, komen complexe ziekten in het algemeen veel vaker voor onder de bevolking (1% of meer).

Complexe ziekten en de betrokkenheid van erfelijke risicofactoren vormen een nieuw aandachtsgebied zowel voor de klinische genetica als voor de behandelend specialismen. Het vertalen van de nieuwe wetenschappelijke inzichten over de betrokkenheid van genen bij het ontstaan van complexe erfelijke ziekten naar bruikbare toepassingen in de zorg staat nog in zijn kinderschoenen. Hierbij werken klinische genetici nauw samen met medisch specialisten als cardiologen, oncologen, psychiaters en internisten.

De academische afdelingen klinische genetica beschikken allen over een polikliniek voor erfelijkheidsadvisering en over zeer geavanceerde laboratoria voor genoomanalyse (van de microscoop voor chromosomenonderzoek, array voor het opsporen van submicroscopische afwijkingen tot basenvolgordebepaling van genen en binnenkort van het individuele genoom).

De UMC's beschikken tevens over laboratoria voor Erfelijke en Metabole Ziekten (EMZ) alsmede over  kennis op het gebied van bioinformatica en biostatistiek die nodig is om de bijdragen van genetische risicofactoren door te rekenen en de relatie tussen gen en ziekte te leggen.

Meer informatie:

www.amc.nl
www.azm.nl
www.erasmusmc.nl
www.lumc.nl
www.umcg.nl
www.umcutrecht.nl
www.umcn.nl
www.vumc.nl



Overige links:

Patiëntenvereniging Aangeboren Hartafwijkingen (PAH)
Hart en Vaatgroep, van en voor mensen met een hart- of vaatziekte
Preïmplantatie Genetische Diagnostiek (PGD)
Prenataal onderzoek, algemene informatie
Genetisch onderzoek, algemene informatie van het Erfocentrum

Prenatale
[vóór de geboorte]
Cardiomyopathie
aandoeningen van de hartspier