Systeemgeneeskunde is een must

Fenotypering van COPD

Professor Miel Wouters, hoogleraar longziekten aan het Expertisecentrum voor chronisch orgaanfalen, CIRO+ en het Maastrichts Universitair Medisch Centrum

Chronisch en divers
De Chronische Obstructieve Longziekte COPD is even veelvoorkomend als divers van aard. In verschillende Europese landen kent COPD een prevalentie van 5 tot zelfs 15%, met in sommige landen meer dan 200 ziekenhuisopnames per 100.000 inwoners per jaar. De mortaliteit, zoals beschreven in het European Lung White Book 2013, varieert van minder dan 10 tot in sommige landen meer dan 25 per 100.000 inwoners per jaar.

Tegelijk is COPD ook heel heterogeen van aard. In de long zelf wordt de ziekte gekarakteriseerd door beperking van de luchtstroom vanwege ontsteking of infectie van de luchtwegen, enige mate van emfyseem of zelfs door systemische ontstekingen, dus ook elders in het lichaam. De patiënt zal dit op verschillende niveaus merken, waaronder uiteraard enige beperking van de inspanningscapaciteit. COPD kan worden beïnvloed door voeding, de mate van lichamelijke activiteit, veroudering en gebruik van medicatie of andere omgevingsfactoren.

COPD en COPD is twee
Tot nu toe wordt COPD doorgaans ingedeeld op basis van de ernst van de symptomen, de zogenoemde GOLD-klassen. Er is evenwel behoefte aan een zinvoller indeling van COPD, op basis van kenmerken die ook iets zeggen over de prognose of de al dan niet zinvolle vormen van therapie.
Eén van de manieren om COPD-patiënten in te delen is op basis van hun exacerbaties, dus hun plotselinge en tijdelijke toename van de ernst van de klachten. Uit internationaal onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat de meeste mensen (71%) die in twee opeenvolgende jaren twee of meer exacerbaties per jaar doormaken ook in het derde jaar veel exacerbaties zullen ondervinden. Omgekeerd geldt ook dat geen exacerbaties in de eerste twee jaren een goede voorspeller zijn voor een probleemloos verloop in een volgend jaar. Op een zelfde manier is het aantal ontstekingsfactoren in het bloed een goede voorspeller voor het aantal ontstekingsfactoren en de ernst van de COPD in het daarop volgende jaar. 
Ook een registratie van het aantal bijkomende ziekten (comorbiditeiten) lijkt een zinvolle manier om de ernst van COPD te classificeren. Daarbinnen zijn bovendien verschillende clusters te onderscheiden: van cardiovasculaire comorbiditeit tot psychologische problematiek.

Stijgende kosten
De noodzaak om COPD op een betere manier te bestrijden ligt ook in de kosten. Op dit moment bedragen de kosten voor bestrijding van COPD al een half miljard per jaar. Zonder innoverend beleid zullen deze kosten in de komende twintig jaar met een factor drie toenemen.

Subgroepen
Net als bij andere chronische ziekten is er voor COPD een noodzaak om patiënten in betekenisvolle subgroepen in te delen. Alleen op die manier kan een optimale therapie, of liever nog: optimale preventie van klachten worden bereikt. De  systeemgeneeskunde kan daarvoor de basis leveren. Onder een sociaal netwerk van patiënten met hun specifieke leefstijl en subjectieve klachten ligt uiteindelijk een biologisch netwerk van onder andere ontstekingsfactoren, verouderingseffecten, metabole veranderingen en immunologische karakteristieken.
Bij het Expertisecentrum voor Chronisch Orgaanfalen, CIRO+ wordt getracht een geïntegreerd kennissysteem op te zetten, dat samenhang kan ontdekken in de enorme brei van klinische data die bij chronische ziekten als COPD worden verzameld. Daartoe worden die chronische ziekten vanuit een ander uitgangspunt benaderd: niet een hypothese op basis van een klassieke indeling van ziekten (fenotypen) is het uitgangspunt, maar de wil om nieuwe, meer betekenisvolle fenotypen te identificeren is de basis. Uiteindelijk zullen er ook specifieke therapieën moeten worden gevonden bij die nieuwe specifieke typen van COPD-patiënten. Die therapieën zijn er nog niet, of op zijn best in zeer beperkte mate.

NFU Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra / Oudlaan 4, 3515 GA / Postbus 9696, 3506 GR Utrecht / T 030 273 98 80 / nfu@nfu.nl