Nationaal Programma Ouderenzorg

De keuze voor het ene of het andere screeningsinstrument

Het maken van een keuze voor een screeningsinstrument.

Bij het maken van een keuze voor een screeningsinstrument kunnen verschillende argumenten een rol spelen: doel en inhoud van de identificatie van kwetsbaarheid, belasting en kosten voor de praktijk, aansluiting bij regionale zorgpartners en zorginitiatieven.

1. Doel en inhoud van de identificatie.

De beoogde doelen zijn: selectie van patiënten met risico op achteruitgang, selectie en identificeren van problemen of selectie waarbij een zorgbehandelplan volgt.

  • Gewenste uitgebreidheid van verzamelde informatie bij eerste screening.

Sommige identificatie-instrumenten hanteren slechts enkele vragen, bv omdat die vragen voorspellend zijn voor achteruitgang in functioneren (bv. ISAR-PC of PRISMA-7). Deelnemers met een verhoogd risico kunnen dan vervolgens uitgebreider in kaart worden gebracht. Andere instrumenten zijn meer uitgebreid omdat ze ook bij de vroegopsporing identificatie van problemen op meerdere gezondheidsdomeinen voor ogen hebben.

Een aantal identificatie-instrumenten hebben een individueel doel waarbij de opgespoorde oudere op dat moment een interventie wordt aangeboden, anderen hebben veel meer tot doel het in kaart brengen van de populatie ouderen waarvoor een huisartsvoorziening zorg draagt, zodat de huisartsvoorziening weet waar de risicopatiënten (kunnen) zitten en welk beleid gemaakt dient te worden.

  • Uitgangspunt kennis of beschikbare informatie van HA/POH/PVK/wijkverpleegkundige (WVK)/ouderenadviseur (OA), of informatie aangereikt door oudere zelf.

Bij het oordeel kan informatie uit het HIS gebruikt worden, maar komt geen nieuwe informatie aan het licht, waarbij het wel zo kan zijn dat de oudere toch meer zorg voor reeds bekende problemen zou willen ontvangen. Het nadeel van vragenlijsten is dat het een selectie van responderende ouderen betreft.

  • Interesse vooral voor somatische problematiek of op zoek naar psychische/sociale problematiek.

Het is mogelijk dat het ene screeningsinstrument meer aandacht besteed aan bv. sociale problematiek en het andere meer aan bv. somatische problematiek. Of het werkelijk ook zo is dat de door het ene instrument geselecteerde ouderen verschillen van ouderen die door een ander instrument geselecteerd zijn, wordt nog onderzocht.

2. Belasting en kosten voor de praktijk.

  • Beschikbare financiën en tijd om screening uit te voeren.

Een eerste beoordeling door de HA/PVK/POH kost tijd maar bespaart verzenden en nabellen. Het risico kan zijn dat de blinde vlekken van de huisarts blijven bestaan terwijl die blinde vlekken mogelijk weggenomen worden bij een vragenlijst gestuurd aan alle ouderen in de praktijk. Onderzoek of dit werkelijk zo is, moet nog plaatsvinden. Het verschilt per project.

Overigens regelt de wet publieke gezondheid in artikel 5a voor het ouderengezondheidszorg dat de gemeenten verantwoordelijk zijn voor systematische signalering van ontwikkelingen in de gezondheidstoestand van ouderen. Daar ligt wellicht een oplossingsrichting voor financiering.

  • Vergoedingsmodules van regionale zorgverzekeraars.

De meeste zorgverzekeraars kennen een module ouderenzorg waarbij een vorm van case-finding en een vorm van zorgplan wordt vergoed.

  • Percentage geselecteerde ouderen waarbij vervolgens een uitgebreide inventarisatie uitgevoerd moet worden.

De meeste methoden selecteren ongeveer 25-35% van de ouderen uit de gescreende groep.

  • Beschikbare automatisering en ondersteuning.

Bij een aantal projecten is IT-ondersteuning ontwikkeld. Dit betreft zowel de korte screening als de uitgebreide inventarisatie. Bij deze applicaties zijn vaak ook faciliteiten ingebouwd ter ondersteuning van het multidisciplinair overleg. De oudere zelf heeft bij de meeste systemen toegang en regie.

3. Aansluiting bij regionale zorgpartners.

  • Aansluiten bij reeds gebruikte instrumenten in de regio.

Indien de regio voorkeur heeft voor een bepaald instrument kan dit van belang zijn, bv. wanneer dit instrument ook ingezet wordt bij aansluiting bij zorgpartners in de eerstelijn of de aansluiting van de eerstelijn met de tweedelijn. Bv. het project SamenOud gebruikt hetzelfde triage-instrument dat gebruikt wordt binnen het andere transitie-experiment van het UMCG en FIT sluit met de vroegopsporingsmethode en uitgebreide inventarisatie aan op de tweede lijn.

In Amsterdam wordt door Huisartsen Kring Amsterdam samen met de Eerste lijn Amsterdam een aantal modellen op basis van de ACT en FIT projecten naast elkaar gebruikt en op elkaar afgestemd. In West-Friesland maakt men in de verzorgingshuizen en thuiszorg al gebruik van RAIview waardoor het voor de huisartsen mogelijk aantrekkelijk is om te volgen.

  • Uitkomsten van de methode moeten ook bruikbaar zijn voor het plannen en organiseren van het lokale zorgaanbod voor de gehele ouderenpopulatie.

Hierbij is mogelijk een uitgebreider instrument dat een beeld geeft over alle domeinen van gezondheid van belang om een goed beeld te krijgen van de gezondheidssituatie van de ouderen.

NFU Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra / Oudlaan 4, 3515 GA / Postbus 9696, 3506 GR Utrecht / T 030 273 98 80 / nfu@nfu.nl