Personalised medicine – genetische profielen en nieuwe oncolytica

Sinds 2010 organiseert de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU) masterclasses voor het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Daarmee wil de NFU bijdragen aan de kennis en het begrip dat nodig is om in het beleid te kunnen omgaan met de actuele maatschappelijke opgaven. Dit is een verslag van de negende bijeenkomst op 12 november 2015 in het AMC te Amsterdam, met als thema: personalised medicine.


Iedereen is ongelijk

Onder leiding van professor Marja van Dieijen, hoogleraar klinische chemie aan de Universiteit Maastricht en voorzitter van de Raad van Bestuur van het Maastricht UMC+ hebben de volgende vijf sprekers een inleiding gegeven over personalised medicine, genetische profielen en nieuwe oncolytica:

  • Professor Judith Bovée, hoogleraar pathologie aan het Leids Universitair Medisch Centrum.
  • Professor Ron Mathijssen, hoogleraar Geïndividualiseerde Oncologische Farmacotherapie aan het Erasmus MC.
  • Professor Vivianne Tjan-Heijnen, hoogleraar oncologie aan het Maastricht UMC+.
  • Professor Han van Krieken, hoogleraar tumorpathologie aan het Radboudumc.
  • Dr. Wilfred Germeraad, Universitair Hoofddocent hematologie aan het Maastricht UMC+ en CSO van CiMAAS.

Individuele gendefecten bij bot- en wekedelentumoren

Individuele gendefecten  bij bot- en wekedelentumoren

Professor Judith V.M.G. Bovée is hoogleraar pathologie en hoofd van de onderzoeksgroep bot- en weke delen van die afdeling aan het LUMC. Haar voornaamste aandachtsgebied zijn bot- en wekedelentumoren. Haar onderzoek richt zich op het ophelderen van de ontstaansmechanismen van goedaardige en kwaadaardige tumoren van het skelet en de weke delen. ‘Ons doel is om tumorspecifieke veranderingen te identificeren in bot en wekedelentumoren, die gebruikt kunnen worden voor verbetering van de diagnostiek, voor doelgerichte behandeling, en om de respons op deze behandeling te voorspellen, om zo bij te dragen aan “personalised medicine” voor patiënten met sarcomen.’

Zeldzaam en talrijk

Van alle mensen met kanker heeft 20% een zeldzame kankersoort. Daarmee zijn de ‘zeldzame kankers’ paradoxaal genoeg een van de meest voorkomende soorten. Binnen de zeldzame vormen van kanker zijn er 168 verschillende tumoren bekend in bot en weke delen (tumoren in bijvoorbeeld spierweefsel). Daarvan zijn er 77 kwaadaardig, de sarcomen. In totaal zien 350 Nederlandse pathologen, verdeeld over 57 laboratoria nog geen duizend sarcomen per jaar. Dat zou neerkomen op minder dan drie sarcomen per patholoog. Daar komt nog bij dat de herkenning van sarcomen lastig is. Vaak is het verschil tussen een goedaardige en een kwaadaardige tumor moeilijk te zien. Dit alles geeft aan dat er een noodzaak is tot centralisatie.

Voor bottumoren is er historisch een goede centralisatie gegroeid in de umc’s van Leiden, Amsterdam (AMC), Nijmegen en Groningen. Binnen die expertisecentra is een goede structuur van een multidisciplinair team van pathologen, radiologen, clinici en moleculair deskundigen beschikbaar.

Moleculaire diagnostiek

Van alle bot- en wekedelentumoren is voor 15% moleculaire diagnostiek voorhanden.

  • Diagnostiek in strikte zin (om welke tumor gaat het?)
  • Prognostisch (wat is het verwachte beloop bij een bepaald genetisch profiel?)
  • Respons (hoe zal een tumor reageren op een potentiële behandeling?)
  • Erfelijke syndromen (is er eventueel sprake van bredere problematiek?)

Van molecuul naar maatwerk

Patiënten met de ziekte van Ollier, of met het Maffucci syndroom hebben zogeheten enchondromen: goedaardige tumoren bestaande uit kraakbeen, in hun botten. Door de Leidse onderzoeksgroep werd in 2011 een mutatie gevonden in het IDH1-gen die (mede) kenmerkend is voor deze ziekte. Hij veroorzaakt een verandering in het celmetabolisme, waardoor de zogenoemde oncometaboliet D2HG wordt gevormd. Uit dierexperimenteel werk met deze stof blijkt dat D2HG inderdaad een verstoring van de botvorming geeft. Helaas is het niet zo dat remming van deze stof de vorming van de tumoren voorkomt of ze geneest. In dit geval gaat de zoektocht naar maatwerk dus nog verder!

Ondertussen is de gevonden mutatie al wel goed bruikbaar om in specifieke gevallen het verschil te zien tussen een kraakbeentumor (die niet te behandelen is met chemotherapie) en een botvormende tumor (die wel met chemo wordt behandeld).

Zeldzame tumoren als leerschool

Het moleculaire subtype van één van de 168 bot- en wekedelentumoren zegt soms niet alleen wat over die ene zeldzame vorm van tumoren. Zo wordt de IDH1-mutatie ook gevonden bij bepaalde vormen van (veel vaker voormende) leukemieën of hersentumoren. Op die manier zijn de zeldzame tumoren vaak een leerschool voor meer algemene aandoeningen. Bovendien kan het genetisch profiel veel leren over de mogelijke opties voor immunotherapieën.

Moleculaire genetica niet zonder ‘klassieke’ pathologie

In de komende jaren zal de massale en snelle Next Generation Sequencing de kracht van moleculaire diagnostiek drastisch kunnen vergroten. Dat maakt de patholoog evenwel niet overbodig. Al was het maar omdat achter één en dezelfde genetische afwijking meerdere kwalen kunnen schuilen, die soms drastisch verschillende behandelopties vragen.

Moleculaire geneeskunde ook geen panacee

In het theoretische geval dat de moleculaire mechanismen achter alle mogelijke tumoren en andere ziekten bekend zouden zijn, zal dit zeker geen definitieve oplossing bieden voor alle therapeutische vragen. Daarvoor is de verscheidenheid in genetische defecten en moleculaire pathways eenvoudigweg te groot, net als de flexibiliteit in de genetica. Zeker in tumoren kunnen en zullen genen blijven muteren, waardoor een gekozen targeted therapie op één bepaald gendefect op enig moment weer achterhaald kan zijn.  

Nadere informatie: Professor Judith Bovée

Achter één genetische afwijking kunnen heel verschillende aandoeningen schuilen. Er blijft dus altijd een belangrijke rol voor de patholoog.

Iedere patiënt heeft recht op een ongelijke behandeling

Iedere patiënt heeft recht op een ongelijke behandeling

Professor dr. Ron Mathijssen is hoogleraar ‘Geïndividualiseerde Oncologische Farmacotherapie’. Zijn specialisaties zijn interne oncologie en klinische farmacologie. ‘Door onderzoek te doen naar factoren die de geneesmiddelconcentraties beïnvloeden, zullen bestaande en nieuwe behandelingen effectiever gemaakt kunnen worden en minder bijwerkingen veroorzaken. Zo is bijvoorbeeld al gebleken dat andere medicijnen, alternatieve geneesmiddelen, roken, bepaalde voedingsmiddelen, het tijdstip van inname en genetische factoren tot forse verschillen tussen patiënten in geneesmiddelconcentraties kunnen leiden.’

Er zit nog een gat in de brug tussen kliniek en apotheek

Personalised medicine vraagt het juiste geneesmiddel voor de juiste persoon, of beter gezegd: het juiste middel voor de juiste variant van een kwaal. Toch is dat niet alles. Er zijn nog veel meer belangrijke kenmerken aan een patiënt dan alleen de moleculaire kenmerken van zijn of haar tumor. Die kenmerken kunnen grote invloed hebben op de beschikbaarheid van een geneesmiddel in het lichaam. Onderdosering kan betekenen dat het (soms peperdure) middel niets doet. Overdosering kan risico’s inhouden, tot zelfs de dood aan toe. Toch geven we in de praktijk nog te vaak een standaard dosering aan patiënten met heel verschillende kenmerken!

De kenmerken die een individuele patiënt typeren kunnen veel banaler zijn dan moleculaire kenmerken. Artsen zijn nu gewend om voor te schrijven op basis van gewicht, al dan niet gecombineerd met lengte of lichaamsoppervlak. Vreemd genoeg wordt het steeds duidelijker dat dit vaak helemaal niet zo relevant is voor de blootstelling aan een bepaalde dosis medicijnen.

Het ene medicijn kan het andere beïnvloeden

Uit een retrospectief onderzoek naar de medicatie voor kankerpatiënten in drie grote Nederlandse ziekenhuizen, is gebleken dat er vaak serieuze interacties zijn tussen verschillende medicijnen binnen één patiënt. In niet minder dan één op de zeven kankerpatiënten treden medicijninteracties op die, zonder tijdig ingrijpen, zelfs tot ernstige schade zouden kunnen leiden. Uit prospectief onderzoek is gebleken dat een klinisch farmacoloog na voorschrijven van medicijnen door een oncoloog er nog diverse potentiële medicijninteracties uit kan vissen!

Wanneer een patiënt altijd de medicatiegegevens bij zich zou hebben, bijvoorbeeld op een elektronisch pasje, dan zijn waarschijnlijk veel interacties te voorkomen. Zo blijkt het middel paroxetine (antidepressivum, SSRI) de beschikbaarheid van het werkzame bestanddeel van tamoxifen (antikanker middel voor hormoongevoelige borsttumoren) drastisch te kunnen verlagen. Idealiter worden deze potentiële interacties door de apotheek nog wel opgemerkt, maar dat kan al fout gaan wanneer niet de eigen apotheek wordt bezocht, maar de ziekenhuisapotheek.

Interacties via de toonbank

Interacties met zelfzorggeneesmiddelen lopen wat dat betreft een nog groter risico om niet te worden opgemerkt door de behandelend arts, al zou die in een ideale wereld, met altijd voldoende tijd voor een consult, natuurlijk nooit vergeten te vragen naar het gebruik van andere middelen. Het vrij verkrijgbare ‘Sint Janskruid’ bijvoorbeeld, verlaagt de biologische beschikbaarheid van de antikanker middelen imatinib, irinotecan en docetaxel. Zelfs een eenvoudige grapefruit blokkeert de werking van bepaalde leverenzymen, waardoor de afbraak van medicijnen wordt vertraagd en de kans op bijwerkingen toeneemt. Ook de zuurgraad van de maag blijkt van meetbare invloed op de kinetiek van bepaalde antikanker middelen. Die zuurgraad kan niet alleen worden beïnvloed door zuurremmers, die in principe door de apotheek geregistreerd worden, maar ook door zoiets eenvoudigs als een glas cola of andere koolzuurhoudende dranken.

Therapeutische Medicijn Monitoring

Wetende dat zo veel, soms ogenschijnlijk triviale factoren een belangrijke invloed kunnen hebben op de werking en de beschikbaarheid van cruciale medicijnen, lijkt de tijd rijp voor een betere therapeutische monitoring van medicatie. Voor steeds meer middelen, zoals tamoxifen, imatinib of pazopanib, zijn drempelwaarden bekend waaronder de werkzaamheid significant verminderd is.

Om een effectieve monitoring van de concentraties van werkzame stoffen in het bloed van patiënten op te zetten, moeten nog wel de nodige logistieke problemen worden aangepakt, zoals rond de uitvoering van de metingen. Bovendien zegt een meting van stoffen in het bloed, dus de systemische blootstelling aan een medicijn, nog niet per se genoeg over de blootstelling van een tumor aan de betreffende stof.
 
Nadere informatie: Professor Ron Mathijssen

Zelfs een eenvoudige grapefruit kan de biologische beschikbaarheid van medicijnen drastisch beïnvloeden.

Individuele behandelingstrajecten bij borstkanker

Individuele behandelingstrajecten bij borstkanker

Professor Vivianne Tjan-Heijnen is hoogleraar oncologie aan het Maastricht UMC+. Zij richt zich op de behandeling van borstkanker, waarbij de kwaliteit van zorg haar bijzondere aandacht heeft. Zo ontwikkelde zij met haar groep interactieve internet tools om betere informatie te verstrekken aan patiënten. Ook door regionale samenwerking zorgt de groep van Tjan-Heijnen ervoor dat de algemene behandelprotocollen toch met aandacht voor het individu worden toegepast.

De ingrediënten voor een écht individuele behandeling van borstkanker

Voor een individuele behandeling van borstkanker heb je een goede diagnose nodig, een multidisciplinair team van behandelaars en zeker ook een goed geïnformeerde patiënt en haar naasten. Van alle patiënten die voor het eerste de diagnose borstkanker krijgen, heeft 95% een vroeg stadium, zonder uitzaaiingen. Bij 80% lukt het om met locale therapie in combinatie met bestraling, genezing te bereiken. Mogelijke ‘ontsnapte’ tumorcellen worden met chemotherapie, hormoontherapie en/of HER2-gerichte therapie (tegen de Receptor voor de Humane Epidermale groeifactor) aangepakt.

Borstsparend of niet?

Binnen die standaarden zijn nog de nodige verschillende opties mogelijk. Een belangrijk verschil is de keuze voor borstsparende operatie of volledige borstverwijdering (amputatie). Met behulp van een ‘keuzehulp’ kan de arts aangeven welke opties er open staan. Is het mogelijk een borstsparende therapie direct toe te passen of  is dit alleen mogelijk als eerst chemotherapie wordt toegepast met verkleining van de tumor tot gevolg? Of heeft de patiënt de voorkeur voor een volledige borstverwijdering, al dan niet met directe of uitgestelde reconstructie van de borst, omdat ze liever geen bestraling wil ondergaan?

Het is belangrijk om álle opties te bespreken. Een chirurg kan misschien denken dat bij een bepaalde kleine tumor een amputatie van de borst veel te drastisch is. Toch doet het geen recht aan de individuele keuzevrijheid van een patiënt om alleen die beperkte chirurgische ingreep aan te bieden. Die keuzevrijheid kan vorm krijgen door middel van vragen waarbij de patiënt maat kan geven aan bijvoorbeeld het gevoel van veiligheid. Maakt een patiënt zich veel zorgen dat bij een borstsparende operatie misschien nog tumorcellen achterblijven, of hecht zij juist veel waarde aan behoud van de borst? Wanneer verschillende van dit soort vragen op een glijdende schaal dor de patiënt worden beoordeeld, heeft een arts een beter handvat om recht te doen aan de individuele wensen van een patiënt.

Chemo of niet?

De vraag of er wel of geen chemotherapie wordt toegepast heeft niet alleen met objectieve medische maten te maken. Ook daar speelt bijvoorbeeld het gevoel van onzekerheid van de patiënt een rol. Net als bij het geven van aanvullende hormoontherapie of HER2-gerichte therapie. Wanneer een aanvullende behandeling, gegeven enkele basale kenmerken van de tumor, de kans op vijfjaarsoverleving met meer dan 5% verhoogt, zijn Nederlandse oncologen geneigd om die aanvullende behandeling aan te raden. Bij een kans van minder dan 3% wordt die aanvullende therapie doorgaans niet geadviseerd. Met name tussen 3 en 5% speelt de mening van de patiënte een nog belangrijker rol.

Er is winst mogelijk

Daarnaast zijn er ook zuiver objectieve maten voor al dan niet behandelen met een bepaald geneesmiddel. In de jaren tachtig is ontdekt dat bepaalde tumoren een mutatie hebben waardoor HER2 verhoogd tot expressie komt. Daartegen zijn rond de eeuwwisseling gerichte monoklonale antilichamen op de markt gebracht, zoals Trastuzumab. Daarvan is in grote klinische studies aangetoond dat de overleving met 10% verbeterd kan worden. Zakelijk gezegd: behandeling met dit middel bij vroeg stadium borstkanker kost € 3.000,- voor ieder gewonnen levensjaar.

Door steeds betere therapie op basis van de specifieke kenmerken van een tumor, neemt de overleving van borstkanker in Europa toe. In Nederland is de tienjaarsoverleving toegenomen van 60% in 1989, tot 80% in 2002.

Bij uitgezaaide borstkanker is genezing evenwel meestal niet meer mogelijk. Toch is ook daar nog veel mogelijk op het gebied van kwaliteit van leven. Bovendien is de vijfjaarsoverleving van de groep patiënten met bijvoorbeeld HER2-positief uitgezaaide borstkanker, onder andere door steeds betere HER2-gerichte behandelingen, toegenomen van 20% in 2000 tot bijna 50% in 2015.

Nadere informatie: vcg.tjan.heijnen@mumc.nl

Met behulp van een eenvoudige vragenlijst kan de oncoloog de keuzevrijheid van de patiënt verhogen

Tumoranalyse en personalised medicine

Tumoranalyse en personalised medicine

Professor Han van Krieken is hoogleraar pathologie en voorzitter van het Radboudumc Centrum voor Oncologie in Nijmegen. Zijn onderzoek richt zich op het begrijpen van het ontstaan van kanker en de relatie tussen tumorcellen en het immuunsysteem. ‘Ongeveer 5 tot 10% van alle mensen met kanker heeft een erfelijke vorm. Bij erfelijke aanleg voor kanker heeft iemand een kans van soms wel 80% om kanker te krijgen op een vaak ongebruikelijk jonge leeftijd. Individuele profielen op basis van patiëntenmateriaal dragen bij aan een steeds persoonlijkere behandeling, maar daarvoor is goed pathologisch onderzoek cruciaal.’

Kanker meestal genetisch, zeker niet altijd erfelijk

Tumoren vinden hun oorsprong meestal in de genen. Toch is maar hooguit 10% van de tumoren strikt genomen erfelijk. Kanker ontstaat door de verstoring van een heel scala aan genetisch gestuurde processen in de cel.

Kankercellen delen zeker niet sneller dan andere cellen, wel staat het signaal om te delen ‘per abuis’ constant aan;

  • Ze ontwijken remmende mechanismen;
  • Ze verlaten de omgeving waar ze van nature aan zijn gebonden;
  • Na het natuurlijk maximum van vijftig keer delen, blijven kankercellen delen;
  • Ze stimuleren hun eigen, bovengemiddelde bloedvoorziening;
  • Anders dan normale zieke of zwakke cellen, zetten ze het natuurlijk zelfdodingsmechanisme van de cel uit.

Waar lang werd gedacht dat het alleen deze genetisch gestuurde processen waren die kanker tekenden, is inmiddels duidelijk dat ook omgevingsfactoren als het immuunsysteem en ontstekingsreacties een belangrijke rol spelen. Al die processen hebben hun eigen sleutelgenen en –eiwitten, die vaak handvatten zijn voor nieuwe therapieën.

Maatwerk in pathologie

Om een patiënt daadwerkelijk op maat te kunnen bedienen met een goede test, moet allereerst het juiste monster worden verzameld; iets dat minder voor de hand ligt dan gedacht. Daarop moet vervolgens de juiste test worden uitgevoerd die dan ook correct moet worden geïnterpreteerd binnen een acceptabele tijd ten opzichte van de prognoses die bij de betreffende ziekte horen.

Test met voorspellende waarde

Eén van de redenen om een pathologische test te doen kan zijn om een stof, een zogenoemde marker, te vinden met voorspellende waarde: welk middel zal bij een patiënt goed aanslaan, welke patiënt moeten we een bepaald middel liever onthouden uit oogpunt van bijwerkingen, of bij welke patiënt kunnen we moeite en kosten besparen omdat het effect gering zal zijn?

In 1989 ontrafelde Van Krieken – stapsgewijs – de karakteristieken van een specifiek soort lymfoom. Betrokkenheid van het gen ‘cycline D1’ bleek karakteristiek voor deze vorm van kanker. Met hulp van die biomarker konden ook betere therapieën worden ontwikkeld, waardoor de mediane overleving bij deze patiënten toenam van 2,5 naar 5 jaar.
 
Gerichte genetische analyse

Wanneer afwijkingen in (stukken van) genen worden gebruikt als ‘biomarkers’, levert dat een genetische of moleculaire test op. Dergelijke genetische analyses hebben een enorme vlucht genomen. Inmiddels kun je voor minder dan duizend dollar al een compleet genoom laten bepalen. De analyse van de resultaten is een verhaal apart . Het is daarom voor een patholoog een stuk efficiënter om niet het hele genoom te analyseren, maar alleen de stukken waar interessante informatie op ligt. Concreet  zijn dat op dit moment 90 stukjes DNA op 22 genen, die min of meer voorspellende waarde hebben voor de werkzaamheid van álle relevante doelgerichte kankertherapie.

Die genetische combinatie test op de 90 relevante stukjes DNA is nu gevalideerd en geïmplementeerd. Tegelijk zijn nog niet alle pathologische laboratoria in staat om deze test naar behoren uit te voeren, maar dat zal dankzij de unieke samenwerking in Nederland spoedig wel het geval zijn.

Nadere informatie: Han.vankrieken@radboudumc.nl

Met steeds goedkopere, steeds snellere en steeds betere technologie, kun je voor minder dan duizend dollar het complete genoom analyseren. Maar dan de interpretatie nog …

Immunotherapie van lab naar patiënt

Immunotherapie van lab naar patiënt

Dr. Wilfred Germeraad is onderzoeker en hoofddocent bij de afdeling Interne Geneeskunde/Hematologie van het Maastricht UMC+ en wetenschappelijk directeur van de academische spin-off CiMaas. Het bedrijf richt zich op de ontwikkeling van cellulaire immunotherapie voor bepaalde groepen kankerpatiënten. CiMaas wil dat onderzoek vertalen naar concrete toepassingen. Op dit moment werkt het bedrijf aan twee producten: een vaccin tegen kanker op basis van de eigen afweercellen van de patiënt en productie en toediening van zogeheten Natural Killer-cellen van donoren.

Immunotherapie

Vaccinaties tegen virale infecties zijn vandaag de dag gemeengoed. Inmiddels is er ook al een vaccin dat indirect kanker voorkomt, het HPV-vaccin dat wordt ingezet tegen baarmoederhalskanker. Therapeutische vaccins, dus tegen bestaande kankers zijn de volgende uitdaging. Aan het Maastricht UMC+ zijn immunologen van de afdeling interne geneeskunde al lang bezig met de ontwikkeling van dergelijke ‘imunotherapie’ tegen verschillende vormen van kanker. Tot de fase I van klinische studies zijn dergelijke studies nog wel vanuit de academie of het KWF te financieren. Het vervolg kan alleen bedrijfsmatig worden aangepakt. Daarvoor is het bedrijf CiMaas opgericht.

Dendritisch vaccin

Een eerste doel is een vaccin op basis van zogeheten dendritische cellen die worden aangezet om T-cellen, een witte bloed cel, te activeren tot het opruimen van tumorcellen. Daarvoor worden monocyten uit het bloed van een kankerpatiënt buiten het lichaam gekweekt. Wanneer die vervolgens worden ‘gerijpt’ in aanwezigheid van een specifieke cocktail van groeifactoren en een gen uit tumorcellen, zullen deze dendritische cellen, wanneer zij worden teruggeplaatst in het lichaam, de tumorcellen gaan aanvallen en opruimen.

Dergelijke ‘geactiveerde’ dendritische cellen laten in de eerste studies een goede effectiviteit zien. Bovendien zijn ze in te vriezen, wat ze als therapie flexibel inzetbaar zou maken. Ook zijn ze goed te combineren met zogenoemde antilichamen tegen ‘checkpoint inhibitors’, die de natuurlijke rem op het immuunsysteem blokkeren. Daardoor wordt deze immuuntherapie potentieel nog effectiever.

Natural Killercellen

Een tweede lijn van onderzoek richt zich op de Natural Killercellen, letterlijk: natuurlijke doders uit het eigen systeem. Deze cellen staan in het eigen lichaam onder invloed van zowel remmende en stimulerende factoren en doden derhalve geen eigen cellen. Om ondanks die balansen  toch een overmaat van NK-cellen in handen te krijgen, dienen ze uit een niet-gematchte donor te worden geïsoleerd en vervolgens te worden gekweekt in een bioreactor. Wanneer die gekweekte cellen als therapie worden gegeven, zullen zij kankercellen aanvallen. Deze NK-therapie kan ook worden gecombineerd met andere strategieën. In tegenstelling tot de dendritische cellen zullen de NK-cellen vers gebruikt moeten worden om hun effectiviteit te behouden, zo is de verwachting.

Antilichamen

Het bekendste voorbeeld van een antilichaam dat kan worden ingezet om kanker te bestrijden is Herceptin. Dat wordt ingezet tegen borsttumoren waarin HER2 in overmaat tot expressie komt. Ook tegen eierstokkanker, longkanker, multiple myelomen en andere vormen van kanker zijn goede toepassingen en perspectieven voor andere (monoklonale) antilichamen die zijn gekweekt om specifieke eiwitten op tumorcellen aan te vallen. Zeker in combinatie met NK-cellen zijn de antilichamen een potentieel succesvolle optie. Ook kunnen chemotherapeutica of isotopen aan antilichamen worden gebonden, om de therapie precies bij de tumor te krijgen.

Regionale therapiecentra

Omdat immuuntherapie specialistische zorg vereist, is centralisatie via regionale centra voor CiMaas een gekozen strategie.

Nadere informatie: Dr. Wilfred Germeraad

Dendritische cellen worden buiten het lichaam getraind om tumorcellen te herkennen, waarna ze als ‘vaccin’ weer worden toegediend.

NFU Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra / Oudlaan 4, 3515 GA / Postbus 9696, 3506 GR Utrecht / T 030 273 98 80 / nfu@nfu.nl / Disclaimer © 2019