Goede voorbeelden hoofdbehandelaarschap in umc’s

Bijlage 1

Erasmus mc normen in het kader van verantwoordelijkheden.

Normen

Onderstaande normen zijn gebaseerd op de KNMG normen en betreffen kernpunten waaraan aandacht moet worden besteed bij de regeling van verantwoordelijkheden in het zorgproces vanuit complexe patiëntenzorg (ketenbesef).

Norm 1
Duidelijk is wie van de betrokken hulpverleners informatie aan de patiënt of diens vertegenwoordiger verstrekt en wie aanspreekpunt is voor vragen van patiënt of vertegenwoordiger.

Waar meerdere hulpverleners betrokken zijn bij de zorgverlening zal het verstrekken van informatie aan de patiënt en/of het beantwoorden van diens vragen op meerdere momenten aan de orde komen. Het karakter van de te verstrekken informatie en de te beantwoorden vragen kan verschillen (medisch, inhoudelijk, organisatorisch). Vanuit de patiënt bezien en vanuit het perspectief van de kwaliteit van zorgverlening is eenduidigheid en tijdigheid van verstrekking van informatie essentieel. Naarmate het aantal betrokken hulpverleners groeit, nemen de risico’s van tegenstrijdigheid, overlap, lacunes en ontijdigheid toe. Naast een behoefte aan transparantie (wie, op welk moment, op welke wijze) over de informatieverstrekking door de verschillende ketenpartners zal er al snel behoefte ontstaan aan enige vorm van coördinatie. Centraal moet staan dat alle betrokkenen elk voor zich de vraag kunnen beantwoorden of de patiënt voldoende informatie heeft ontvangen en/of zij daarin (nog) een rol moeten vervullen.

Norm 2
Hulpverleners dienen te beseffen dat zij in een Erasmus MC pad op elkaar aangesloten schakels zijn en dat zij worden geacht (samen) te werken volgens een daaruit af te leiden geëxpliciteerde taak- en verantwoordelijkheidsverdeling. Het is duidelijk voor zowel zorgverlener als patiënt wie op welk moment in het Erasmus MC pad de regie heeft.

Verantwoorde en samenhangende zorgverlening aan de patiënt vergt dat betrokken hulpverleners niet alleen op de hoogte zijn van hetgeen zij zelf moeten doen, maar zich ook bewust zijn van hoe hun handelen zich verhoudt tot hetgeen andere betrokken hulpverleners doen en daarmee ook rekening houden. Er dient expliciet te zijn beschreven wat verwacht wordt van alle betrokkenen in een zorgproces of Erasmus MC pad, zowel wat betreft de taken en verantwoordelijkheden voor het eigen aandeel als wat betreft de relatie tussen het eigen aandeel en de andere (benodigde) activiteiten in het zorgproces. Dat betekent dat alle betrokkenen op de hoogte zijn van de principes en prucedures voor samenwerking, inclusief de regelingen voor inschakeling of consultatie van andere disciplines. Kritische momenten in de zorgverlening en andere beslismomenten worden in kaart gebracht en daaromtrent gemaakte afspraken kunnen transparant worden gemaakt. Analyse van risico’s in specifieke zorgtrajecten is van belang om - waar nodig -  te komen tot een verdere uitwerking van samenwerkingsafspraken. De analyses moeten gericht zijn op de meest voorkomende risico’s voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg. Voor het signaleren en analyseren van dergelijke risico’s dienen geschikte instrumenten gehanteerd te worden. Het veiligheidsmanagementsysteem (VMS) kan daarbij een ondersteunende rol spelen.

Norm 3
De monitoring van zowel de medisch inhoudelijke componenten als de logistieke kanten van het Erasmus MC pad dat de patiënt doorloopt, is adequaat vormgegeven en de bijbehorende verantwoordelijkheden zijn duidelijk belegd (wie en hoe).

Het gaat hier om de regievoering op casusniveau. Deze regie moet er zorg voor dragen dat de verrichtingen van allen die, in welke fase dan ook, beroepshalve bij de behandeling van de patiënt betrokken zijn op elkaar zijn afgestemd en zijn gecoördineerd. Regie houdt ook in dat getoetst wordt of de door de betrokken zorgverleners geleverde bijdragen aan de behandeling van de patiënt met elkaar in verhouding zijn, passen binnen het behandelplan en op een veilige wijze worden uitgevoerd.

Norm 4
Overdracht van taken en verantwoordelijkheden tussen inhoudelijk (eind)verantwoordelijken vindt expliciet plaats. Tijdens overdrachtsmomenten dient men zowel rekening te (kunnen) houden met veel voorkomende risico’s van overdrachtssituaties in het algemeen als met eventuele specifieke kenmerken van (de situatie van) de patiënt.

Risico’s voor continuïteit van de zorgverlening zijn bij elk overdrachtsmoment aanwezig. Dit is deels te ondervangen door standaardisering van overdrachtsmomenten, maar een zekere mate van flexibiliteit blijft noodzakelijk. Het is van belang om de verantwoordelijkheid voor een goede overdracht te beschouwen als een gedeelde verantwoordelijkheid van het management, de hulpverlener die taken overneemt en de hulpverlener die taken overdraagt. Er zal pas een overdracht naar een andere inhoudelijk (eind)verantwoordelijke plaatsvinden, nadat door de huidige inhoudelijk (eind)verantwoordelijke een samenvatting is gemaakt van de medisch relevante zaken tot het moment van de overdracht.

Norm 5
De voor goede hulpverlening noodzakelijke gegevens worden door betrokken hulpverleners op adequate wijze vastgelegd, zodat deze toegankelijk zijn voor andere bij de behandeling betrokken hulpverleners met inachtneming van het Privacyreglement en het medisch beroepsgeheim.

Het ontbreken van accurate, complete en eenduidige gegevens is vaak een bron van fouten en kan leiden tot onnodige verrichtingen. Het aanbrengen van voldoende structuur in de informatie-uitwisseling is daarom van belang. Goede verslaglegging van activiteiten en daaraan ten grondslag liggende overwegingen en het ter beschikking stellen van die gegevens aan andere betrokken hulpverleners vergt inspanningen van alle betrokken hulpverleners. ICT kan daarin een ondersteunende functie vervullen, maar neemt de noodzaak niet weg van het leveren van inspanningen door de betrokken hulpverleners zelf.

NFU Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra / Oudlaan 4, 3515 GA / Postbus 9696, 3506 GR Utrecht / T 030 273 98 80 / nfu@nfu.nl