Een beeld zegt toch meer

‘Niet ontsteking maar schade van MS in beeld brengen’

Dr. Mike Wattjes is als radioloog verbonden aan het VUmc in Amsterdam, waar hij zich heeft gespecialiseerd in de neuroradiologie.

Foto ziet de ziekte eerder
‘Multiple Sclerose is in wetenschappelijk opzicht een dynamische aandoening’, stelt radioloog dr. Mike Wattjes van het VUmc. ‘Er zijn op dit moment veel ontwikkelingen op het gebied van de beeldvorming rond MS, waar zowel de wetenschap als de patiënt baat bij kunnen hebben.’
In algemene zin kun je stellen dat we MS al eerder op een MRI-beeld kunnen zien dan het moment dat een patiënt de eerste klachten vertoont. Dat wordt soms pijnlijk duidelijk tijdens studies, waarbij we MRI-opnames maken van de hersenen van gezonde controlepersonen. Daar zien we een enkele keer al 'plekjes' oplichten die kunnen duiden op de eerste symptomen van MS, terwijl de betreffende persoon nog helemaal nergens last van heeft.’
MS openbaart zich in eerste instantie vaak als tijdelijke aanvallen. In de loop van de ziekte kunnen die aanvallen in frequentie en ernst toenemen, en na verloop van tijd zal een patiënt ook steeds meer restschade ondervinden, na die kortere of langere aanvallen. ‘In het verloop van de tijd zien wij op de MRI-scans een vrij geleidelijke toename van het aantal zogenoemde laesies, ofwel geïsoleerde “littekens” in de hersenen die overblijven na ontstekingen. Met het toenemen van het aantal laesies zien we tegelijk een geleidelijke afname van het hersenvolume op de scan.’

De witte vlekjes op deze MRI-beelden zijn de ‘littekens’ die overblijven na een ontsteking in het brein van een MS-patiënt.
De witte vlekjes op deze MRI-beelden zijn de ‘littekens’ die overblijven na een ontsteking in het brein van een MS-patiënt.

Kijken naar de patiënt of naar de foto
Wanneer een arts alleen het aantal MS-aanvallen zou bijhouden waar een patiënt last van heeft, dan zou hij of zij een belangrijk deel van de eigenlijke voortgang van de ziekte missen, benadrukt Wattjes. Het is beter om de ontwikkeling van laesies en andere aantastingen van het brein te volgen via de MRI, evenals de aantasting van zowel de witte als de grijze stof in de hersenen (respectievelijk de ‘bedrading’ en de ‘zenuwcellen’ in het brein). Daarbij moet een arts zich niet blindstaren op het aantal laesies dat op een MRI te zien is, benadrukt Wattjes. ‘Er is bijvoorbeeld geen één op één samenhang tussen het aantal laesies en de cognitieve achteruitgang. Die cognitieve achteruitgang is wel het ziekteaspect waar met name jonge mensen heel veel last van hebben. Tegelijk kan het bijhouden van de laesies op een scan wel een goede manier zijn om het al dan niet aanslaan van een bepaalde behandeling in de gaten te houden. Daarbij zijn de therapieën tegenwoordig al zó goed dat artsen helemaal geen enkele ontstekingsactiviteit meer in het brein willen zien, wat uiteraard alleen te monitoren is via de MRI. Dit maakt het voor artsen ook mogelijk om de focus te verschuiven van de ontstekingen, die we dus steeds beter volledig onder controle kunnen krijgen, naar de daadwerkelijke afbraak van het brein.’

Kijken naar de dikte van schors en merg
Een kenmerk van het brein dat vrij nauw samenhangt met de cognitieve achteruitgang van de patiënt is de dikte van de hersenschors. ‘Aan het VUmc hebben wij ontdekt dat je daarbij óók kunt kijken naar de dikte van de ruggenmerg. Als we de oppervlakte meten van de dwarsdoorsnede van het hoge ruggenmerg, dan zien we een duidelijke samenhang tussen die oppervlakte en het klinische beloop van de ziekte. Bovendien kunnen we via die scans van het merg ook verschillende subtypen van MS onderscheiden. Zo’n scan van het merg kan dus helpen bij de goede diagnose.’

Nu ook de grijze stof in beeld
Uit onderzoek aan de hersenen van overleden MS-patiënten is duidelijk geworden dat het niet de laesies in de witte stof zijn die het meeste informatie geven, maar juist in de grijze stof. Helaas is die grijze stof lastiger in beeld te krijgen. ‘Met een nieuwe techniek, de zogenoemde double inversion recovery, zijn die laesies in de grijze stof recent wel beter in beeld te brengen. Maar tot op heden is het nog heel moeilijk om verschillende onderzoekers op een eenduidige manier naar die laesies in de grijze stof te laten kijken. Bij hooguit 20% van de laesies in de grijze stof gaven alle verschillende onderzoekers in een studie in verschillende onderzoeksinstituten een eensluidend oordeel. Bij de helft van de laesies was er nog maar bij 50% van de onderzoekers overeenstemming. Er zal dus nog moeten worden gewerkt aan een betere standaardisatie van deze techniek.’

Zwarte gaten
Een laatste, nieuwe ontwikkeling in de beeldvorming rond MS is het meten van zogenoemde ‘zwarte gaten’ in het brein, vertelt Wattjes. ‘Het opvallende aan die zwarte gaten is dat ze soms weer verdwijnen. Dat duidt op herstel van schade door het brein. Er zijn nu verschillende nieuwe medicijnen in onderzoek die zich met name richten op die reparatiemechanismen in het brein.’

NFU Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra / Oudlaan 4, 3515 GA / Postbus 9696, 3506 GR Utrecht / T 030 273 98 80 / nfu@nfu.nl