Cao universitair medische centra

bijlage Q: Levensloopregeling

De overheid heeft de wettelijke grondslag voor levensloopregeling is 1 januari 2012 afgeschaft. Er is een overgangsbepaling voor de levensloopregeling die loopt tot 1 januari 2022: personen met een tegoed van ten minste € 3.000,00 spaartegoed op 31 december 2011 hebben volgens de overgangsregeling de volgende keuzes gekregen:

  1. Het volledige tegoed in 2013 in één keer opnemen.
  2. Het tegoed tijdens de looptijd van de overgangsregeling in delen opnemen.

De medewerker, die voldeed aan de voorwaarde van de overgangsregeling en gekozen heeft voor optie 2 van de overgangsregeling heeft een vrije keuze wanneer hij het tegoed opneemt en op welke wijze hij het geld besteedt. Het is mogelijk om door te sparen tot 31 december 2021, het einde van de looptijd van de overgangsregeling. Daarna komt (de rest) van het spaartegoed in een keer vrij.

In deze bijlage zijn de cao-artikelen uit de Cao UMC 2011-2013 opgenomen die betrekking hebben op de levensloopregeling. Deze artikelen zijn uitsluitend van toepassing op medewerkers die nog gebruik maken van de levensloopregeling en op wie de wettelijke overgangsregeling levensloop van toepassing is.

Artikelen of leden van artikelen uit de Cao UMC 2011 - 2013 die betrekking hebben op de levensloop en gelden voor medewerkers die onder de overgangsregeling vallen:

artikel 3.2.1   Hoogte (Persoonlijk budget)

  1. Het persoonlijk budget wordt gevormd door het maandelijks opbouwen van een bedrag dat gebaseerd is op het salaris waar de medewerker die maand aanspraak op heeft.
  2. Salaris dat door de medewerker wordt ingezet als inleg voor de levensloopregeling of als bron voor deelname aan een regeling als bedoeld in artikel 18.3 (geld voor aanspraken in natura of extra pensioen) wordt voor de berekening van de maandelijkse opbouw van het budget tot het salaris gerekend.

artikel 3.3.1   Hoogte (Extra Persoonlijk Budget)

  1. Het extra persoonlijk budget wordt gevormd door het maandelijks opbouwen van een bedrag dat gebaseerd is op het salaris waar de medewerker die maand aanspraak op heeft.
  2. Salaris dat door de medewerker wordt ingezet als inleg voor de levensloopregeling of als bron voor deelname aan een regeling als bedoeld in artikel 18.3 (geld voor aanspraken in natura of extra pensioen) wordt voor de berekening van de opbouw van het extra persoonlijk budget tot het salaris gerekend.

artikel 3.3.2    Aanwending (Extra Persoonlijk Budget)

  1. Doel van de aanwending van het extra persoonlijk budget is duurzame inzetbaarheid. De medewerker kan het extra budget aanwenden voor één of meer van de volgende mogelijkheden:
    b    recht op inzet in de levensloopregeling;

artikel 18.1    Keuzemodel

  1. De medewerker kan jaarlijks gebruik maken van de mogelijkheid een deel van zijn arbeidsvoorwaardenpakket naar eigen keuze te bepalen door bepaalde aanspraken een andere bestemming te geven.
  2. De keuzemogelijkheden bestaan uit het ruilen van:
    c    geld voor levensloopverlof met inachtneming van de wettelijke grenzen en de bepalingen van dit hoofdstuk.

artikel 18.4    Deelname levensloopregeling

  1. Bij de inleg houdt de medewerker rekening met het fiscaal toegestane bedrag.
  2. De afspraken over deelname aan de levensloopregeling worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen de werkgever en de medewerker. De overeenkomst vermeldt de uitvoerder van de levensloopregeling. De medewerker bepaalt zelf de keuze van uitvoerder van de levensloopregeling.
  3. De medewerker kan geld inleggen uit zijn bruto salaris, de vakantie-uitkering en/of de eindejaarsuitkering. De werkgever houdt het geldbedrag dat de medewerker zelf wenst in te leggen in de levensloopregeling in op zijn salaris, vakantie-uitkering en/of eindejaarsuitkering. De werkgever maakt de inleg over naar de door de medewerker gekozen uitvoerder van de levensloopregeling.
  4. De medewerker kan tot 1 januari 2014 de werkgeversbijdrage, bedoeld in artikel 18.4.1, inleggen. De werkgever maakt de inleg over naar de door de medewerker gekozen uitvoerder van de levensloopregeling.
  5. De medewerker is verplicht aan de werkgever kenbaar te maken of hij aanspraken uit een levensloopregeling bij een of meer vorige werkgevers heeft. Als dit het geval is, zal hij de werkgever jaarlijks schriftelijke informatie verstrekken over de uitvoerder(s) van deze regeling(en) en over de omvang van de levensloopaanspraken per 1 januari van het jaar waarin de medewerker deelneemt aan de levensloopregeling.
  6. Op het moment dat de werkgever constateert dat de jaarlijkse inleg het fiscaal toegestane maximum overschrijdt, wordt het meerdere niet overgemaakt naar de uitvoerder van de levensloopregeling. Het meerdere zal alsnog aan de medewerker worden uitbetaald.

Artikel 18.4.2    Opnemen van levensloopverlof 

  1. De medewerker kan deelnemen aan de levensloopregeling ter financiering van een periode van onbetaald verlof. Bij volledig tussentijds onbetaald verlof bedraagt de minimum periode zes weken.
  2. De medewerker heeft na een periode van levensloopverlof van zes maanden of korter recht op terugkeer in de oude functie. Duurt de periode van levensloopverlof langer dan zes maanden dan keert de medewerker in beginsel terug in zijn oude functie, tenzij hierover met de werkgever andere afspraken worden gemaakt bijvoorbeeld vanwege zwaarwegende dienstbelangen. De medewerker die levensloopverlof in deeltijd opneemt behoudt zijn functie.
  3. Als het levensloopverlof direct voorafgaat aan datum van pensionering, bedraagt de periode van onbetaald verlof ten hoogste drie jaar, tenzij de werkgever en de medewerker anders overeenkomen.
  4. Als de medewerker levensloopverlof in deeltijd wenst op te nemen, dan geldt dit voor ten minste twee maanden en voor minimaal 20% van de voor de medewerker geldende arbeidsduur.
  5. De medewerker dient levensloopverlof ten minste vier maanden voor de gewenste ingangsdatum aan te vragen bij de werkgever. Wanneer het verlof wordt gebruikt voor ouderschapsverlof of langdurend zorgverlof dan gelden voor de aanvraag en opname van verlof de wettelijke bepalingen.
  6. De werkgever kan vanwege zwaarwegende dienstbelangen besluiten niet in te stemmen met de gewenste tussentijdse verlofperiode, waarna in goed overleg met de medewerker zal worden gekeken naar een andere verlofperiode.
  7. Als de medewerker voor aanvang van de overeengekomen verlofperiode arbeidsongeschikt is, en naar het oordeel van de bedrijfsarts de arbeidsongeschiktheid van langdurige aard zal zijn, kan op verzoek van de medewerker het verlof worden opgeschort. Als de medewerker direct na afloop van de arbeidsongeschiktheid het verlof alsnog wenst op te nemen, dient hij daarvoor opnieuw een verzoek in bij de werkgever, waarbij hij niet gehouden is aan de termijn genoemd in het vierde lid.
  8. Indien de medewerker tijdens het levensloopverlof arbeidsongeschikt wordt, en deze arbeidsongeschiktheid langer dan zes weken duurt, kan de medewerker verzoeken om opschorting van de resterende periode van levensloopverlof tot een nader overeen te komen tijdsperiode.
  9. Het levensloopverlof wordt bij verlof wegens zwangerschap, bevalling of orgaandonatie direct opgeschort.

Artikel 18.4.3   Arbeidsvoorwaarden tijdens levensloopverlof

  1. In afwijking van c.q. aanvulling op de overige bepalingen in deze cao is het bepaalde in de leden 2 t/m 4 van toepassing.
  2. Tijdens het levensloopverlof heeft de medewerker geen aanspraak op salaris, toelagen, vergoedingen en tegemoetkomingen. Er vindt tijdens het levensloopverlof geen opbouw van vakantie-uren plaats.
  3. Het inkomen tijdens de periode van levensloopverlof bestaat uit een uitkering uit het levenslooptegoed van de medewerker. De hoogte hiervan wordt bepaald door de medewerker. De uitkering wordt door de uitvoerder van de levensloopregeling overgemaakt naar de werkgever. De werkgever draagt zorg voor uitbetaling aan de medewerker onder inhouding van loonheffing en pensioenbijdrage.
  4. Overeenkomstig het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP vindt gedurende het eerste jaar van levensloopverlof pensioenopbouw op collectieve basis plaats tegen doorsneepremie. Indien de levensloopuitkering ten minste 70% bedraagt van het inkomen voorafgaand aan verlof, wordt de pensioenopbouw gebaseerd op het pensioengevend inkomen voorafgaand aan het verlof. Indien de levensloopuitkering minder dan 70% van het pensioengevend inkomen voorafgaand aan verlof bedraagt, wordt de pensioenopbouw gebaseerd op het feitelijk inkomen uit het levenslooptegoed.
    De verschuldigde pensioenpremie wordt gedurende de eerste zes maanden van de verlofperiode betaald op basis van de normale premieverdeling tussen werkgever en medewerker. Als het verlof langer duurt dan zes maanden wordt de verschuldigde premie na zes maanden volledig door de medewerker betaald. Als de medewerker het levensloopverlof in deeltijd opneemt dan wordt de periode van de normale premieverdeling tussen werkgever en medewerker naar rato uitgebreid.
  5. De datum waarop de werkgever het salaris van de medewerker tot het in de schaal naast hogere bedrag verhoogt blijft ongewijzigd voor zover de periode van levensloopverlof niet langer duurt dan zes maanden of als het levensloopverlof in deeltijd wordt opgenomen. Als het levensloopverlof langer duurt dan zes maanden wordt de datum van de salarisverhoging tot het in de schaal naast hogere bedrag verschoven met het aantal volledige maanden dat het verlof langer duurt dan zes maanden.
  6. Tijdens het levensloopverlof blijft de ziektekostenverzekering gehandhaafd. Op de uitkering uit het levenslooptegoed wordt door de werkgever de wettelijke inkomensafhankelijke bijdrage op de gebruikelijke wijze afgedragen.
  7. Wanneer de medewerker tijdens levensloopverlof betaalde nevenwerkzaamheden wenst te verrichten dan dient hij hiervoor conform artikel 9.3 (nevenwerkzaamheden) eerst toestemming te vragen aan de werkgever.
NFU Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra / Oudlaan 4, 3515 GA / Postbus 9696, 3506 GR Utrecht / T 030 273 98 80 / nfu@nfu.nl