Cao universitair medische centra

bijlage P: Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Universitair Medische Centra (BWUMC)

Hoofdstuk 1 Definities

Artikel 1.1. Algemene definities
Voor zover in deze regeling niet anders is bepaald, zijn de definities van de Cao umc van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.2. Definities BWUMC
In deze regeling wordt verstaan onder:

 

betrokkene
  1. degene die een dienstverband heeft of heeft gehad bij een umc;
  2. degene ten aanzien van wie de raad van bestuur en het college van bestuur krachtens artikel 2.8 Cao umc hebben bepaald dat voor hem de cao van toepassing is;
Cao Cao Universitair medische centra (Cao umc);
diensttijd de tijd gedurende welke de betrokkene een dienstverband heeft gehad bij een umc, waaronder begrepen een dienstverband bij een rechtsvoor-ganger.
​De tijd voorafgaand aan een aaneengesloten periode van meer dan 14 maanden waarin de betrokkene niet een zodanig dienstverband had, wordt niet tot de diensttijd gerekend. Voor de periode van 14 maanden, bedoeld in de vorige volzin, blijft een periode waarin de betrokkene onmiddellijk voorafgaand aan zijn werkloosheid recht had op een ZW-uitkering, een WAO- of WIA-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een uitkering die daarmee naar aard en strekking overeenkomt, buiten beschouwing;
WW-dagloon het dagloon zoals dat geldt voor de WW-uitkering;
ongemaximeerde dagloon het WW-dagloon, waarbij de maximumdagloongrens van artikel 17, eerste lid, Wet financiering sociale verzekeringen buiten beschouwing wordt gelaten.

 

Hoofdstuk 2 Aanvullende en aansluitende uitkering

Artikel 2.1. Aanvullende uitkering

  1. De betrokkene die recht heeft op een WW-uitkering en wiens ongemaximeerde dagloon hoger is dan zijn WW-dagloon, heeft recht op een aanvullende uitkering.
  2. De aanvullende uitkering bedraagt per dag een percentage, gelijk aan het uitkeringspercentage van de WW, van het bedrag waarmee het ongemaximeerde dagloon het WW-dagloon te boven gaat.
  3. Bij gedeeltelijke werkloosheid wordt de aanvullende uitkering naar rato berekend op dezelfde wijze als de WW-uitkering.
  4. De aanvullende uitkering eindigt en herleeft onder dezelfde omstandigheden en in dezelfde mate als de WW-uitkering.

Artikel 2.2. Ziekte en zwangerschap en bevalling
Als een betrokkene, bedoeld in artikel 2.1, tijdens een WW-uitkering of in plaats van een WW-uitkering recht krijgt op een ZW-uitkering of een uitkering bij zwangerschaps- en bevallingsverlof op grond van artikel 3:8 WAZO, bestaat gedurende de ZW- of WAZO-periode ook recht op de aanvullende uitkering.

Artikel 2.3. Aansluitende uitkering

  1. De betrokkene die werkloos is geworden uit een dienstverband voor onbepaalde tijd en op de eerste werkloosheidsdag een diensttijd had van minimaal vijf jaren, heeft na afloop van de WW-duur recht op een aansluitende uitkering.
  2. Per vol dienstjaar bestaat recht op één maand aansluitende uitkering.
  3. De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, die op de eerste werkloosheidsdag 55 jaar of ouder is en een diensttijd heeft van minimaal 10 jaar, heeft evenwel recht op een aansluitende uitkering tot de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt. Met ingang van 1 januari 2014 bestaat dit recht op een aansluitende uitkering tot de dag waarop betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt; dit geldt ook voor reeds voor 1 januari 2014 toegekende aansluitende uitkeringen die tot na deze datum doorlopen. 
  4. Tot 1 januari 2015 dient de zinsnede 'die op de eerste werkloosheidsdag 55 jaar of ouder is' uit de eerste volzin van het vorige lid gelezen te worden als: 'die op de eerste werkloosheidsdag 54 jaar of ouder is'. 
  5. De aansluitende uitkering bedraagt per dag 70% van het ongemaximeerde dagloon, maar maximaal 70% van het ongemaximeerde dagloon berekend op basis van het maximumbedrag van salarisschaal 12, zoals opgenomen in bijlage A van de cao, vermeerderd met de vakantie-uitkering.
  6. Bij gedeeltelijke werkloosheid wordt de aansluitende uitkering naar rato berekend op dezelfde wijze als de WW-uitkering.
  7. De aansluitende uitkering eindigt en herleeft onder dezelfde omstandigheden en in dezelfde mate als een WW-uitkering. In afwijking hiervan loopt de aansluitende uitkering bij ziekte echter door, tenzij de duur van de aansluitende uitkering verstreken is.
  8. Na onderbreking van het recht op aansluitende uitkering schuift de einddatum op zoals bij een WW-uitkering.
  9. Zolang de betrokkene tegelijk recht heeft op een aansluitende uitkering en op een andere wettelijke of bovenwettelijke uitkering voor dezelfde arbeidsuren, heeft de aansluitende uitkering het karakter van een aanvulling tot het niveau dat zonder de samenloop zou gelden.

Artikel 2.4. Indexering

  1. De aanvullende en aansluitende uitkering worden geïndexeerd conform een algemene salariswijziging in de cao.
  2. De raad van bestuur dan wel de aangewezen uitvoeringsinstantie doet in voorkomend geval hiervan mededeling aan de uitkeringsgerechtigden.

Artikel 2.5. Het geldend maken van het recht op aanvullende en aansluitende uitkering

  1. De bepalingen in de WW met betrekking tot het geldend maken van het recht, waaronder het verplichtingen- en sanctieregime, zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvullende en de aansluitende uitkering, met uitzondering van de bepalingen over de boete.
  2. In plaats van de WW-bepalingen zijn de overeenkomstige bepalingen uit de ZW of de WAZO van toepassing als de betrokkene recht heeft op uitkering op grond van de ZW, respectievelijk de WAZO.
  3. De betrokkene is verplicht de UWV-beslissing op de WW-, ZW- of WAZO-aanvraag, alsmede alle overige informatie die betrekking heeft op de WW-,  ZW- of WAZO-uitkering, ter beschikking te stellen aan de raad van bestuur, dan wel de aangewezen uitvoeringsinstantie.

Artikel 2.6. De betaling van de aanvullende en aansluitende uitkering

  1. De bepalingen in de WW met betrekking tot de betaling en de terugvordering van de uitkering, zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvullende en de aansluitende uitkering, met dien verstande dat geringe hoogte van de uitkering geen reden is om deze niet te betalen.
  2. In plaats van de WW-bepalingen zijn de overeenkomstige bepalingen uit de ZW of de WAZO van toepassing als de betrokkene recht heeft op uitkering op grond van de ZW, respectievelijk de WAZO.

Artikel 2.7. Uitkering aan grensarbeiders

  1. De betrokkene die in verband met artikel 65 lid 2, EG-Verordening 883/2004 geen recht op WW-uitkering heeft omdat hij buiten Nederland woont, heeft voor de periode op grond van lid 3 recht op een aanvullende uitkering, zolang hij recht heeft op een wettelijke werkloosheidsuitkering in zijn woonland die lager is dan de WW- en aanvullende uitkering die hij in Nederland zou hebben gekregen.
  2. Deze betrokkene heeft recht op aansluitende uitkering vanaf het moment waarop de duur van zijn wettelijke werkloosheidsuitkering in zijn woonland is verstreken, tot het einde van de duur van de uitkering op grond van lid 3.
  3. De hoogte en duur van de uitkering van deze betrokkene zijn gelijk aan het WW-deel en het bovenwettelijke deel. De wettelijke uitkering waarop hij in zijn woonland recht heeft over hetzelfde tijdvak, wordt hierop in mindering gebracht.
  4. Artikel 2.2. is van overeenkomstige toepassing als de betrokkene in zijn woonland, tijdens of in plaats van de wettelijke werkloosheidsuitkering, recht heeft op een wettelijke uitkering wegens ziekte, zwangerschap of bevalling. Deze toepassing duurt niet langer dan de maximale duur van de overeenkomstige Nederlandse uitkering.
  5. Het verplichtingen- en sanctieregime van de WW is van overeenkomstige toepassing op de uitkering op grond van dit artikel. In het geval van lid 4 is in plaats van het WW-regime het verplichtingen- en sanctieregime van de ZW, respectievelijk de WAZO van overeenkomstige toepassing.
  6. De betrokkene is daarnaast verplicht alle informatie waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat deze van invloed kan zijn op zijn uitkering op grond van dit artikel, onverwijld mee te delen aan zijn werkgever of aan de door zijn werkgever aangewezen uitvoeringsinstantie.

Artikel 2.8. Overlijdensuitkering

  1. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een betrokkene die recht had op een aanvullende of aansluitende uitkering, wordt aan zijn nagelaten betrek-kingen, bedoeld in het ter zake geldende artikel van de cao, een eenmalige overlijdensuitkering betaald.
  2. De overlijdensuitkering is gelijk aan 3 maanden wettelijke en bovenwettelijke uitkering op het niveau van de dag voor die van het overlijden. Indien er ook recht bestaat op een overlijdensuitkering op grond van een wettelijke regeling, wordt die in mindering gebracht op de overlijdensuitkering op grond van dit artikel.
  3. Vorderingen op de betrokkene ter zake van onverschuldigd betaalde uitkering op grond van deze regeling kunnen met de overlijdensuitkering worden verrekend.
  4. Indien er geen nagelaten betrekkingen zijn kan de werkgever een bedrag, ten hoogste gelijk aan de uitkering als bedoeld in het eerste lid, uitkeren aan degene die aantoont dat hij kosten heeft gemaakt wegens de laatste ziekte of de lijkbezorging van de betrokkene, en dat hij die kosten niet kan verhalen op de nalatenschap.

Hoofdstuk 3 Re-integratie bevorderende regelingen

Artikel 3.1. Loonsuppletie

  1. De betrokkene die recht heeft op WW-uitkering of op aansluitende uitkering en die een nieuwe arbeidsverhouding aanvaardt, heeft recht op loonsuppletie indien:
    1. zijn nieuwe arbeidsverhouding een arbeidsovereenkomst, een aanstelling als ambtenaar of een daarmee vergelijkbare arbeidsverhouding naar buitenlands recht is, en
    2. het ongemaximeerde dagloon in de nieuwe arbeidsverhouding lager is dan het ongemaximeerde dagloon van zijn uitkering, en
    3. de nieuwe arbeidsverhouding een omvang heeft van ten minste 60% van het aantal uren per week waarvoor hij recht had op uitkering.
  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de betrokkene die geen recht op WW of aansluitende uitkering heeft, maar die dat recht wel zou hebben gehad als hij geen nieuwe arbeidsverhouding had aanvaard. Voor de loonsuppletie wordt dan uitgegaan van de WW- en aansluitende uitkering waarop hij aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies als betrokkene recht zou hebben gehad.
  3. Geen recht op loonsuppletie bestaat als de WW-uitkering van de betrokkene blijvend geheel is geweigerd, of, in het geval van het tweede lid, blijvend geheel zou zijn geweigerd.
  4. Het recht op loonsuppletie eindigt:
    1. zodra de betrokkene niet meer voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van loonsuppletie;
    2. zodra de betrokkene geen recht meer heeft op loonbetaling uit zijn nieuwe arbeidsverhouding.
  5. Het recht op loonsuppletie herleeft zodra de betrokkene opnieuw aan de voorwaarden voor toekenning van loonsuppletie voldoet. Bij samenloop van meerdere rechten op loonsuppletie op grond van deze regeling wordt alleen de hoogste loonsuppletie uitbetaald.
  6. De loonsuppletie duurt ten hoogste tot de einddatum van de duur van de WW- en aansluitende uitkering die geldt bij de aanvang van de nieuwe baan.
  7. De hoogte van de loonsuppletie bedraagt per kalendermaand het verschil tussen 21,75 maal het ongemaximeerde dagloon waarnaar de uitkering werd berekend en 21,75 maal het ongemaximeerde dagloon in de nieuwe arbeidsverhouding. Pro rata berekening van de loonsuppletie vindt plaats als:
    1. de nieuwe arbeidsverhouding niet voltijds is en een gemiddelde urenomvang heeft die kleiner is dan die van het recht op uitkering, of
    2. er niet over de gehele kalendermaand recht op loonsuppletie bestaat.
  8. Voor de loonsuppletie wordt uitgegaan van het volledige overeengekomen loon in de nieuwe arbeidsverhouding, ook als de betrokkene minder ontvangt.
  9. Een eventuele loonsuppletie op grond van een andere regeling, of een met loonsuppletie overeenkomende uitkering, wordt op de loonsuppletie in mindering gebracht.
  10. De loonsuppletie wordt per maand achteraf uitbetaald. Op de loonsuppletie zijn de bepalingen in de WW over terugvordering van ten onrechte betaalde uitkering van overeenkomstige toepassing.
  11. De betrokkene die voor loonsuppletie in aanmerking wil komen is verplicht:
    1. binnen drie maanden na het ontstaan van het recht op loonsuppletie een aanvraag om loonsuppletie in te dienen;
    2. op verzoek van de aangewezen uitvoeringsinstantie en op de wijze zoals deze instantie aangeeft, alle gegevens te verstrekken die zij nodig acht om het recht op loonsuppletie te kunnen vaststellen en de rechtmatigheid van betalingen te kunnen controleren;
    3. de aangewezen uitvoeringsinstantie uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kunnen zijn op zijn recht op loonsuppletie;
    4. indien zijn nieuwe dienstbetrekking geen voor hem passende arbeid is en voor zover hem deze verplichting door de werkgever schriftelijk is opgelegd, passende arbeid tegen een hoger loon te aanvaarden indien deze hem wordt aangeboden.
  12. Indien de betrokkene niet voldoet aan zijn verplichtingen, kan de werkgever de loonsuppletie tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk weigeren.
  13. De loonsuppletie telt niet mee voor het pensioengevend inkomen.

Artikel 3.2. Garantie-uitkering bij werkloosheid uit een nieuwe dienstbetrekking

  1. Recht op een garantie-uitkering heeft:
    1. de betrokkene die recht heeft gehad op een aanvullende of aansluitende uitkering en die na aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking binnen vier jaar opnieuw werkloos wordt en een nieuw recht op WW-uitkering heeft;
    2. de betrokkene die geen recht op aanvullende of aansluitende uitkering heeft gehad maar dat recht wel zou hebben gehad als hij geen nieuwe dienstbe-trekking zou hebben aanvaard, en die binnen vier jaar na zijn arbeidsurenverlies als betrokkene werkloos wordt met een recht op WW-uitkering.
  2. De garantie-uitkering houdt in dat de aanvullende en aansluitende uitkering, voor zover de duur nog niet is verbruikt, herleven bij de aanvang van de nieuwe WW-uitkering. Als de betrokkene alleen recht had op een aansluitende uitkering en deze nog niet was aangevangen, gaat deze in na afloop van de nog niet verbruikte duur van de oude WW-uitkering waaraan het recht op aansluitende uitkering was verbonden.
  3. Recht op garantie-uitkering bestaat ook als de betrokkene aansluitend op het einde van zijn nieuwe dienstbetrekking recht heeft op een ZW-uitkering of een WAZO-uitkering bij zwangerschap en bevalling, indien zonder de ziekte of zwangerschap en bevalling een nieuw recht op WW-uitkering zou hebben bestaan.
  4. Geen recht op garantie-uitkering bestaat als de aanvullende of aansluitende uitkering blijvend geheel is, of, in het geval van het eerste lid onder b, blijvend geheel zou zijn geweigerd.
  5. Zolang de betrokkene tegelijk recht heeft op een garantie-uitkering en op een andere wettelijke of bovenwettelijke uitkering voor dezelfde arbeidsuren, heeft de garantie-uitkering het karakter van een aanvulling tot het niveau dat zonder de samenloop zou gelden.

Artikel 3.3. Afkoop

  1. De betrokkene die recht heeft op een aansluitende uitkering, kan de raad van bestuur verzoeken dit recht voor de resterende duur af te kopen.
  2. Indien de raad van bestuur onder nader overeen te komen voorwaarden hiermee instemt, heeft betrokkene vanaf het tijdstip waarop de afkoop ingaat, geen enkele aanspraak meer op grond van deze regeling.

Artikel 3.4. Tegemoetkoming in de verhuiskosten

  1. De betrokkene die recht heeft op een aanvullende of aansluitende uitkering en elders een nieuwe betaalde arbeidsverhouding aangaat of een onderneming start en in verband hiermee moet verhuizen, heeft recht op een tegemoetkoming in de verhuiskosten conform het ter zake geldende artikel in de cao.
  2. De uitkering als bedoeld in het voorgaande lid komt eerst tot uitbetaling nadat de noodzakelijke verhuizing daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
  3. Indien de betrokkene in verband met zijn nieuwe werkzaamheden uit anderen hoofde recht heeft op een tegemoetkoming in de verhuiskosten, wordt deze in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van het eerste lid recht heeft.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 4.1. Aanpassing van deze regeling in geval van neerwaartse wijzigingen in de WW
Indien het niveau van de uitkering krachtens de WW een algemeen geldende neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging, behoudens indien tussen partijen binnen zes maanden na de datum van het Staatsblad waarin de maatregel is gepubliceerd overeenstemming wordt bereikt, op overeenkomstige wijze doorgevoerd ten aanzien van het totaal aan wettelijke en bovenwettelijke aanspraken van de betrokkene, vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het Staatsblad.

Artikel 4.2. Overgangsbepaling
Voor de betrokkene die op 1 oktober 2006 een diensttijd van minimaal 9 jaar had en die in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30 september 2010 werkloos wordt op de leeftijd van 50 tot 54 jaar en die recht heeft op een aansluitende uitkering, wordt de duur van de aansluitende uitkering bepaald volgens de onderstaande tabel.

Leeftijd op de 1e werkloosheidsdag Diensttijd op 1 oktober 2006 Duur aansluitende uitkering
50 of 51 jaar 9 tot 13 jaar 33 maanden
52 of 53 jaar 9 tot 13 jaar 30% van de duur van de periode tussen het einde van de WW-duur en de 1e van de maand van de 65e verjaardag.
50 t/m 53 jaar 13 tot 20 jaar 40% van de duur van de periode tussen het einde van de WW-duur en de 1e van de maand van de 65e verjaardag.
50 t/m 53 jaar 20 jaar of meer 50% van de duur van de periode tussen het einde van de WW-duur en de 1e van de maand van de 65e verjaardag.

Artikel 4.3 Inwerkingtreding
Deze regeling is in werking getreden op 1 juli 2008 en is laatstelijk gewijzigd op 1 april 2013.

Artikel 4.4 Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Universitair Medische Centra (BWUMC).

NFU Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra / Oudlaan 4, 3515 GA / Postbus 9696, 3506 GR Utrecht / T 030 273 98 80 / nfu@nfu.nl